Naar de inhoud springen

Levensduur van de werksters: Waarom veel broed alleen nog geen sterk volk maakt

De levensduur van werksters: Waarom veel broed alleen nog geen sterk volk maakt

Volksontwikkeling

Levensduur van de werksters

Waarom veel broed alleen nog geen sterk volk maakt

Een sterk bijenvolk wordt vaak eerst beoordeeld aan de hand van zijn broedoppervlak. Grote broednesten, veel gesloten broed en een productieve koningin lijken op het eerste gezicht overtuigend. En natuurlijk is broed belangrijk: zonder broed geen nageslacht, geen volksontwikkeling en later ook geen haalbijen.

Toch is veel broed alleen niet voldoende als kwaliteitskenmerk. Doorslaggevend is niet alleen hoeveel bijen een volk voortbrengt, maar vooral hoe lang de uitkomende werksters gezond, productief en binnen het volk bruikbaar blijven.

Centraal staat daarom de levensduur van werksters: dus voedsterbijen, kastbijen, haalbijen en vooral de winterbijen. Hier ligt een belangrijk verschil tussen puur broedplezier en echte volkskracht.

Broed is alleen de belofte van bijenmassa

Een groot broedoppervlak laat in eerste instantie alleen zien dat er veel bijen zouden kunnen ontstaan. Of er werkelijk een sterk volk uit voortkomt, wordt pas daarna bepaald. De uitkomende werksters moeten gezond zijn, voldoende reserves hebben, goed verzorgd zijn en lang genoeg leven om het volk daadwerkelijk te dienen.

In elk volk werken twee ontwikkelingen tegelijkertijd: Aan de ene kant komen jonge bijen uit, aan de andere kant sterven werkbijen. De werkelijke volkssterkte wordt bepaald door de verhouding van deze twee processen.

Als er veel jonge bijen uitkomen, maar de werksters slechts kort leven, groeit het volk nauwelijks of slechts tijdelijk. Dan draait het voortdurend in vervangingsmodus: Het produceert veel broed, maar verliest tegelijkertijd veel bijen door slijtage, ziekte, Varroaschade, slechte verzorging of ongunstige werkwijze.

De beslissende vraag luidt daarom niet: Hoeveel broed heeft het volk?

Maar: Hoeveel langlevende werksters komen hieruit voort?

Levensduur van werksters bepaalt de echte volkskracht

Een werkster die slechts kort leeft, levert het volk weinig arbeidstijd. Een werkster die langer gezond blijft, kan langer verzorgen, verwarmen, bouwen, nectar verwerken, water halen, verdedigen en later verzamelen.

Voor de prestatie van een volk telt daarom niet alleen het aantal bijen op een bepaalde dag. Doorslaggevend is hoeveel bijen gedurende een langere periode arbeidsgeschikt blijven.

Een volk met wat minder broed maar duurzamere werksters kan productiever zijn dan een volk met een gigantisch broedoppervlak en kortlevende bijen. Als de werksters langer leven, blijft de bijenmassa stabieler. Het volk hoeft minder energie (honing/stuifmeel) te besteden aan het voortdurend vervangen van verliezen.

Dit kan gezien worden als “bijendagen”. Een bij die langer leeft, levert het volk meer bruikbare arbeidstijd. Veel kortlevende bijen kunnen er op het oog sterk uitzien, maar biologisch minder presteren dan een iets kleiner, maar stabieler volk.

Zomerbijen en winterbijen: Twee verschillende levensstrategieën

Bij de levensduur van werksters moet men zomerbijen en winterbijen onderscheiden.

Zomerbijen leven in een periode van hoge activiteit. Ze verzorgen broed, bouwen raten, verwerken nectar, reguleren warmte, verzamelen water, verdedigen het volk en gaan later de nectarvlucht in. Deze activiteiten kosten energie. Zomerbijen zijn daarom aanzienlijk korter levend.

Winterbijen hebben een andere taak. Ze moeten het volk maandenlang ondersteunen, warmte genereren en in het voorjaar het eerste broed verzorgen. Daarvoor hebben ze een andere lichamelijke conditie nodig. Ze moeten interne reserves opbouwen en met zo min mogelijk schade de winter ingaan.

Winterbijen zijn dus niet zomaar normale bijen die toevallig in de winter leven. Ze zijn werksters met een bijzondere fysiologische voorbereiding. Precies hier speelt het vetlichaam een centrale rol.

Het vetlichaam: Basis voor langlevende werksters

Het vetlichaam is een van de belangrijkste organen van de werkster als het gaat om levensduur. Het is niet alleen vet, maar een opslag- en stofwisselingsorgaan. Het beïnvloedt energiebalans, eiwitreserves, immuunsysteem, ontgifting, hormoonhuishouding en verouderingsprocessen.

Vooral winterbijen hebben een krachtig vetlichaam nodig. Als ze in de late zomer en herfst goed gevoed, gezond en weinig belast worden opgevoed, kunnen ze reserves aanleggen. Deze reserves hebben ze nodig om lang te leven en in het voorjaar het eerste broed betrouwbaar te verzorgen.

Als het vetlichaam echter slecht ontwikkeld of beschadigd is door Varroa, virussen, stuifmeelgebrek of te hoge belasting, ontstaan er geen werkelijk langlevende werksters. Dan lijkt een volk in de herfst misschien nog sterk, maar stort het laat in de herfst / winter of al in het voorjaar in.

Stuifmeel en eiwitten: Zonder goede voeding geen langlevende werksters

Het vetlichaam ontstaat niet uit het niets. Jonge werksters hebben in de eerste levensdagen voldoende eiwitten nodig. Deze eiwitten komen vooral uit stuifmeel of bijenbrood.

Stuifmeel is daarom niet alleen belangrijk voor broed, maar ook voor de kwaliteit van werksters. Een slecht onderhouden jonge bij kan haar inwendige organen, voedersapklieren en reserves niet optimaal ontwikkelen. Ze zal eerder kortlevend en minder belastbaar zijn.

In dergelijke situaties kan een volk wel broed hebben, maar lijdt de kwaliteit van de ontstane werksters. Dan ontstaat er bijenmassa op papier, maar geen stabiele, langlevende werksters.

Broedverzorging kost levensduur

Broedverzorging is een van de belangrijkste, maar ook zwaarste taken binnen het bijenvolk. Jonge werksters produceren voedersap, verwarmen het broed en verzorgen larven. Daarbij verbruiken ze eiwitten, energie en lichaamsstof.

Als jonge bijen zeer vroeg en zeer intensief aan broedverzorging moeten doen, kunnen hun eigen reserves sneller opgebruikt worden. Het vetlichaam wordt dan slechter opgebouwd of eerder afgebroken. Dit kan de levensduur van de werksters verkorten.

Daarom is veel open broed niet automatisch een goed teken. Open broed heeft zeer veel verzorging nodig. Als er te weinig voedsterbijen zijn of de verzorging niet goed is, ontstaat er overbelasting.

Varroa, virussen en vetlichaam

De Varroamijt is bijzonder gevaarlijk voor de levensduur van werksters. Ze verzwakt bijen niet alleen algemeen, maar beschadigt belangrijke lichamelijke basisprincipes van de levensduur. Vooral het vetlichaam staat hierbij centraal.

Als werksters al tijdens hun ontwikkeling door Varroa en virussen belast worden, starten ze met slechtere levensvoorwaarden. Dit geldt vooral voor winterbijen. Als winterbijen al tijdens de op stamg geschaald worden, kunnen ze later niet eenvoudig door behandeling volledig hersteld worden.

Daarom is het tijdstip beslissend. Wie langlevende winterbijen wil, moet de Varroa-belasting laag houden voor en tijdens het ontstaan van deze winterbijen.

Het is niet voldoende om pas laat te behandelen, als de langlevende werksters al beschadigd zijn. Dan kan men wel de mijten verminderen, maar de kwaliteit van de al ontstane bijen is mogelijk al aangetast. Onze tip: Begin/midden juli moeten alle mijten buiten zijn. De Varroa-behandeling moet dan afgerond zijn. Nu heeft het volk voldoende tijd om gezonde winterbijen op te bouwen.

Warmtehuishouding: Langlevendheid begint ook in het broednest

Een andere belangrijke factor is de warmtehuishouding. Broed heeft een gelijkmatige temperatuur nodig. Het volk moet het broed verwarmen, verzorgen en voeden. Dit werk kost energie.

De bijen verwarmen niet de hele kast als een ruimte. Ze regelen vooral het broednest. Toch beïnvloeden ruimtegrootte, raatopstelling, bijenbezetting en scheidingsvoering hoe efficiënt het lukt.

Een te ruim gehouden broedruimte kan ertoe leiden dat de bijen op te veel raten verdeeld zitten. Dan is het broednest minder compact. Randgebieden worden minder goed bezet, en de bijen moeten meer presteren om het broed stabiel te houden.

Deze extra belasting kan de werksters sneller doen slijten. Ze verbruiken meer energie voor warmte en verzorging. Precies deze energie ontbreekt later voor levensduur, immuunsysteem, verzorgingsvermogen en verzamelcapaciteit.

Wat een scheidingsplaat voor langlevende werksters kan betekenen

Een scheidingsplaat maakt bijen niet automatisch langlevend. Maar een correct gebruikte scheidingsplaat kan helpen om onnodige slijtage te verminderen.

Het doel van de scheidingsplaat is niet om het volk kunstmatig klein te houden. Het doel is de broedruimte zo aan te passen aan de feitelijke bijenmassa dat de werksters hun broed dicht bezetten, goed kunnen verwarmen en efficiënt kunnen verzorgen.

De beslissende zin luidt:

Niet maximaal veel ruimte creëert langlevende werksters, maar passend bezette ruimte.

Te krap is echter ook fout

Een scheidingsplaat mag er niet toe leiden dat het volk geblokkeerd wordt. Te krap gescheiden volken kunnen ook problemen krijgen. Als de koningin geen ruimte meer vindt om te leggen, nectar in het broednest geduwd wordt of de bijen achter de scheidingsplaat hangen, ontstaat er stress. Daarom moet er in de drachtperiode altijd voldoende ruimte in de honingkamer zijn om bijenmassa en nectar op te kunnen nemen.

Daarom geldt:

De scheidingsplaat moet het volk volgen - niet het volk de scheidingsplaat.

In het voorjaar kan een compacte broedruimte zinvol zijn, zodat de aanwezige bijenmassa het broed goed kan verwarmen. Bij toenemende volkssterkte moet de ruimte echter aangepast worden. Het volk mag niet begrensd worden als het kan en moet groeien.

Een goede scheidingsplaat beperkt niet de prestatiecapaciteit. Het voorkomt alleen onnodige ruimte die het volk nog niet nuttig kan bezetten.

Broedplezier en werksterlevensduur zijn geen tegenstrijdigheid

Broedplezier is niet slecht. Een goede koningin moet op het juiste moment sterk in eierproductie kunnen gaan. Een productief volk heeft in het voorjaar een goede ontwikkeling nodig.

Problematisch wordt het alleen als broedplezier geïsoleerd beoordeeld wordt. Veel broed is alleen dan waardevol als daaruit langlevende, gezonde en productieve werksters ontstaan.

De naam van een lijn alleen is daarvoor niet voldoende. Doorslaggevend is of deze eigenschappen op de eigen stand werkelijk zichtbaar worden.

De koningin blijft belangrijk - maar het volk wordt beoordeeld

De koningin levert via genetica en bevruchting een belangrijke basis. Voor de praktijk is het echter niet genoeg om alleen naar haar legprestaties te kijken. Doorslaggevend is welke werksters uit dit broed ontstaan en of deze werksters als volkseenheid vitaal, belastbaar en langlevend zijn.

Een hoge eierproductie is alleen dan waardevol als het volk dit broed ook gezond kan opvoeden. Veel eierproductie alleen brengt weinig als hieruit kortlevende werksters ontstaan.

Juist is daarom: Een goede koningin is waardevol als haar nakomelingen langlevende, vitale en productieve werksters voortbrengen.

Hoe kom je tot langlevende werksters?

Langlevende werksters ontstaan niet door één enkele maatregel. Het is altijd een samenspel van genetica, opfok, voeding, gezondheid, warmtehuishouding en bedrijfsvoering.

1. Niet van het grootste broedoppervlak naspelen

Het grootste broedoppervlak is niet automatisch het beste fokcriterium. Een volk met gigantisch broedoppervlak kan toch kortlevende werksters hebben. Goede volken herken je eraan dat ze niet alleen kortstondig sterk lijken, maar hun sterkte behouden.

2. Broedoppervlak altijd met bijenmassa vergelijken

Een volk met veel broed en weinig bijen op de raten moet kritisch bekeken worden. Broed en bijenmassa moeten op elkaar afgestemd zijn. (Kritieke fase bij de volkerontwikkeling)

3. Winterbijen bijzonder serieus nemen

De winterbijen zijn de beste toetssteen voor werksterlevensduur. Ze moeten lang leven en in het voorjaar nog steeds productief zijn. De basis voor het volgende jaar wordt al in juli gelegd!

4. Zorg voor een goede stuifmeelvoorziening

Zonder goede eiwitvoorziening ontstaan er geen hoogwaardige werksters. Vooral jonge bijen hebben stuifmeel nodig voor vetlichaam, voedersapklieren en immuunsysteem.

5. Varroa vroegtijdig laag houden

Langlevende werksters ontstaan niet onder hoge Varroa-druk. Vooral winterbijen moeten gezond opgevoed worden. De belangrijkste regel luidt: Varroa moet laag zijn voordat de winterbijen ontstaan.

6. Warmtehuishouding passend voeren

Een volk moet zijn broed efficiënt kunnen verwarmen. Een aangepaste broedruimte helpt om de werksters niet onnodig te slijten.

7. Niet op slijtage imkeren

Langlevende werksters ontstaan eerder waar het volk in balans blijft: passende broedomvang, voldoende voedsterbijen, goede stuifmeelvoorziening, lage Varroa-belasting, stabiele warmtehuishouding en weinig stress.

Hoe herken je langlevende werksters in de praktijk?

Je ziet levensduur niet bij een enkele inspectie. Je herkent het door de verloop.

Belangrijk is: Het gaat er niet om of een volk op een dag bijzonder sterk uitziet. Het gaat erom of zijn werksters over weken vitaal, productief en belastbaar blijven.

De belangrijkste denkfout

De grootste denkfout is om broedoppervlak gelijk te stellen aan volkskwaliteit.

Veel broed kan een goed teken zijn. Maar het kan ook een waarschuwingssignaal zijn als het volk dit broed niet in stabiele werkstersmassa kan omzetten.

Een volk dat voortdurend veel broed nodig heeft om verliezen te compenseren, is niet automatisch productief. Het kan ook gewoon sterk slijten.

Een werkelijk goed volk kenmerkt zich door het feit dat uit passend broed langlevende, vitale en productieve werksters ontstaan.


Voorbeeldberekening: zelfde broedomvang, maar verschillende levensduur

Aannames:

  • Start in het voorjaar: 25.000 werksters
  • dagelijks komen er uit: 1.200 jonge werksters
  • broedomvang blijft bij beide volken gelijk
  • Verschil alleen: Werksters leven gemiddeld 25 dagen of 35 dagen

Tijdstip

Ø 25 dagen levensduur

Ø 35 dagen levensduur

Verschil

Start

25.000

25.000

0

na 1 week

ca. 26.200

ca. 28.100

+1.900

na 2 weken

ca. 27.200

ca. 30.700

+3.500

na 3 weken

ca. 27.900

ca. 32.800

+4.900

na 4 weken

ca. 28.400

ca. 34.400

+6.000

na 5 weken

ca. 28.800

ca. 35.800

+7.000

na 6 weken

ca. 29.100

ca. 37.000

+7.900

Betekenis voor de linde-dracht

Bij 25 dagen levensduur groeit het volk weliswaar licht, maar een groot deel van de dagelijks uitkomende bijen vervangt alleen de verliezen. Het volk komt slechts langzaam uit de startsterkte.

Bij 35 dagen levensduur blijven de werksters aanzienlijk langer in het volk. Hierdoor verzamelt zich uit dezelfde broedomvang veel meer bijenmassa. Na zes weken zijn er berekend bijna 8.000 werksters meer beschikbaar en neemt de drachtprestaties enorm toe.

Inschatting van de voorbeeldberekening

Deze berekening is bewust vereenvoudigd. In een echt bijenvolk blijft de broedomvang in het voorjaar natuurlijk niet constant. Met toenemende volkssterkte, betere stuifmeelvoorziening, stijgende temperaturen en sterkere eierproductie van de koningin neemt het broedoppervlak tijdens de voorjaarsontwikkeling meestal verder toe. Hierdoor zouden de daadwerkelijke eindgetallen in de praktijk anders uitvallen.

Het voorbeeld is daarom niet bedoeld om een exacte volk-voorspelling te geven. Het laat alleen de basisrelatie zien: Bij gelijke uitgangsbroedprestaties ontwikkelt een volk met langlevende werksters zich aanzienlijk sterker, omdat er minder bijen door vroegtijdig afsterven verloren gaan.


Conclusie

Veel broed alleen is niet genoeg. Doorslaggevend is of uit dit broed werksters ontstaan die lang genoeg gezond blijven om broed te verzorgen, warmte vast te houden, nectar te verwerken, te verzamelen en het volk stabiel door stressperioden te leiden.

Het vetlichaam speelt hierbij een centrale rol. Het is de interne reserve van de werkster en vooral belangrijk voor winterbijen. Zonder goed vetlichaam, voldoende eiwitvoorziening en lage Varroa- en virusdruk ontstaan er geen werkelijk langlevende werksters.

Ook de warmtehuishouding hoort daarbij. Een goed beheerde broedruimte met juist geplaatste scheidingsplaat kan helpen dat de bijen hun broed efficiënt verwarmen en verzorgen, zonder onnodig energie te verliezen. Te veel ruimte kan belasten, te weinig ruimte kan blokkeren. Doorslaggevend is de afstemming op de daadwerkelijke bijenmassa.

De centrale regel luidt:

Niet de grootste broedoppervlakte maakt het beste volk, maar de beste omzetting van broed in langlevende, gezonde en productieve werksters.


bee-pilot.io nu uitproberen

Nu gratis testen!

Meer artikelen