Trachtarme tijd
Roven bij bijen
Waarom vooral afleggers en bevruchtingseenheden kwetsbaar zijn
Als de dracht afneemt, verandert het gedrag van veel bijenvolken aanzienlijk. Vooral na de zomerdracht, tijdens langere droogteperiodes of in een drachtloze periode zoeken haalbijen intensief naar elke beschikbare voedselbron.
In deze fase neemt het risico op roven sterk toe. Hierbij dringen bijen van één of meerdere volken een ander volk binnen om honing of voedselvoorraden te stelen. Wat in het begin als normale vliegactiviteit kan lijken, kan snel uitgroeien tot een ernstige bedreiging.
Welke eenheden zijn bijzonder kwetsbaar?
Met name kleine of verzwakte eenheden kunnen roven vaak niet lang afweren. Daarom is in drachtarme tijden bijzondere voorzichtigheid geboden.
Waarom ontstaat roven?
In een goede drachtperiode vinden bijen nectar, honingdauw en stuifmeel in de natuur. Neemt dit aanbod af, dan gaan veel vliegbijen op zoek naar andere voedselbronnen.
Ze reageren dan sterk op geuren van honing, suikerwater, voerkoek, uitgeslingerde raten of open voerharnassen.
Wanneer een bij zo’n bron vindt, wordt deze informatie doorgegeven binnen het volk. Hierdoor kunnen er binnen korte tijd veel roverbijen opduiken.
Wat gebeurt er in het getroffen volk?
Een sterk volk kan zijn vliegopening meestal goed verdedigen. Wachters controleren binnenkomende bijen en weren vreemde bijen af.
Bij kleine afleggers of bevruchtingseenheden is de situatie anders. Ze hebben maar weinig bijen. De verdediging bij de vliegopening is zwakker, en vaak is de koningin nog onbevrucht of net met de leg begonnen.
Als roverbijen binnendringen, ontstaat er stress in het hele volk. Er ontstaan gevechten bij de vliegopening en in de kast. Bijen raken gewond of worden gedood, voedselvoorraden worden leeggeroofd.
In kleine eenheden kan de koningin verloren gaan of het volk volledig instorten.
Waarom zijn bevruchtingseenheden bijzonder kwetsbaar?
Bevruchtingseenheden zijn klein en hebben slechts een beperkt aantal bijen. Ze hebben vaak weinig voedselreserve en kunnen zich nauwelijks verdedigen tegen sterke roverbijen.
Bovendien worden veel bevruchtingseenheden aangemaakt in tijden waarin de hoofddracht al afneemt of voorbij is. Precies dan neemt het gevaar door zoekende bijen toe.
Bevruchtingseenheden moeten in drachtarme perioden dus zeer voorzichtig worden geopend en gecontroleerd.
Waarom zijn verse afleggers bijzonder kwetsbaar?
Verse afleggers hebben nog niet de volledige volksterkte. Ze moeten zich eerst organiseren, nieuwe vliegbijen opbouwen en hun vliegopening veilig verdedigen.
Veel afleggers hebben bovendien een hoge voedselbehoefte. Als ze worden gevoerd, ontstaat snel een sterke geur die roverbijen kan aantrekken. Vloeibaar voer is daarbij bijzonder kritisch als het druipt of open toegankelijk is.
Basisregel: Een klein volk heeft geen grote vliegopening nodig. Hoe kleiner de eenheid, hoe kleiner de ingang moet zijn.
Hoe herken je roven?
Roven herken je vaak aan hectische, rusteloze vliegactiviteit. De bijen vliegen niet rustig in en uit, maar zoeken aan de voorkant van de kast, bij kieren, bij het deksel of aan de achterkant naar instapmogelijkheden.
Belangrijk is het onderscheid met het invliegen van jonge bijen. Bij het invliegen van jonge bijen zie je vaak veel bijen voor de kast. Deze vliegen echter meestal rustiger in bogen voor de vliegopening. Roven daarentegen oogt hectisch, agressief en ongecontroleerd.
Directe maatregelen bij roven
Wanneer roven begint, moet er snel gehandeld worden. Hoe eerder wordt ingegrepen, hoe beter de kansen.
De belangrijkste maatregel is het direct verkleinen van de vliegopening. Bij kleine afleggers of bevruchtingseenheden kan de vliegopening tot een zeer kleine opening worden gereduceerd.
Beslissend is dat de eigen bijen de ingang weer kunnen verdedigen.
Bij sterke roven kan het zinvol zijn de getroffen eenheid tijdelijk te verplaatsen. Vooral bevruchtingseenheden of kleine afleggers kunnen op een rustigere locatie buiten de directe vliegcirkel vaak beter beschermd worden.
Preventieve maatregelen
De beste maatregel tegen roven is preventie. Vooral kleine eenheden moeten in drachtarme perioden zorgvuldig worden beheerd.
1. Vliegopening klein houden
De vliegopening moet passen bij de omvang van het volk. Kleine eenheden hebben kleine vlieggaten nodig. Bij bevruchtingskastjes en verse afleggers moet de ingang zo klein zijn dat hij veilig bewaakt kan worden.
Liever eerst te klein dan te groot. Als de eenheid sterker wordt, kan de vliegopening later stap voor stap worden vergroot.
2. ’s Avonds voeren
Voeding moet bij voorkeur ’s avonds plaatsvinden, als de vliegactiviteit afneemt. Hierdoor neemt het risico af dat zoekende bijen direct op de voedselbron worden gewezen.
3. Schoon voeren
Bij het voeren mag er niets gemorst worden. Druipend suikerwater of open voerresten zijn een sterke trigger voor roven.
Vooral bij kleine afleggers en bevruchtingseenheden moet zeer schoon en zo veel mogelijk zonder morsen gewerkt worden.
4. Geen open raten op de stand
Honingraten, voerharnassen of uitgeslingerde raten mogen niet open op de stand staan. Zelfs korte tijd kan voldoende zijn om roven uit te lokken.
Raten moeten altijd bijendicht worden opgeslagen of direct weer worden afgesloten.
5. Kleine eenheden niet onnodig lang openen
Afleggers en bevruchtingseenheden moeten slechts kort worden gecontroleerd. Elke langere opening verspreidt geur en maakt de eenheid kwetsbaar.
Controles moeten goed voorbereid zijn. Eerst overwegen wat gecontroleerd moet worden, dan openen, controleren en direct weer sluiten.
6. Zwakke eenheden kritisch controleren
Zeer zwakke afleggers of bevruchtingseenheden zijn in drachtarme tijd bijzonder kwetsbaar. Als een eenheid nauwelijks meer verdedigbaar is, moet overwogen worden of verenigen zinvoller is dan verderzetten.
7. Afstand tot sterke volken behouden
Als veel kleine bevruchtingseenheden direct naast sterke productievolken staan, kan de roversdruk toenemen. Een aparte, rustige locatie voor bevruchtingseenheden kan helpen.
8. Voerkoek in plaats van vloeibaar voer overwegen
Bij zeer kleine eenheden kan voerkoek vaak veiliger zijn dan vloeibaar voer, omdat er minder geur ontstaat en er niets uitloopt. Toch moet ook voerkoek zo worden gegeven dat er geen open voerresten rovers aantrekken.
Wat moet je vermijden?
In drachtarme tijden moeten bepaalde werkzaamheden bijzonder voorzichtig of helemaal niet worden uitgevoerd.
Juist een kleine fout kan in een drachtarme fase voldoende zijn om roven uit te lokken.
Conclusie
Roven is in drachtarme tijden een ernstige bedreiging. Vooral betroffen zijn kleine en zwakke eenheden zoals vers gevormde afleggers, bevruchtingseenheden, MiniPlus-volken of Apideas.
Beslissend zijn preventie en snel handelen. Vliegopeningen moeten klein gehouden, voedselbronnen goed afgedicht en werkzaamheden bij het volk kort gehouden worden.
Wie in drachtarme fasen zorgvuldig werkt, kleine eenheden beschermt en waarschuwingssignalen vroeg herkent, kan veel verliezen voorkomen.
bee-pilot.io nu testen

